Samengesteld 22 april 2004, bewerkt 18 september 2004.

Gewijzigd op 26 november 2006.

Deze tekst in het gehele browser-venster plaatsen.

Klik linksboven in het browser-venster op de pijl naar links om terug te komen bij de vorige situatie.


Stoffen in planten

In planten komen verschillende inhoudsstoffen voor. In een aantal artikelen staan een aantal vaktermen, bijvoorbeeld in een waarschuwing voor alkaloiden. Hier worden vaktermen toegelicht en verteld waar ze voor dienen, hoe je er gebruik van kunt maken. Vitaminen en mineralen en sporenelementen worden elders behandeld. De stoffen die worden behandeld zijn

AlkaloÔden
Deze vormen een gevarieerde groep basisverbindingen met alkalische eigenschappen en een stikstofhoudende structuur die over het algemeen een sterke fysiologische werking hebben op het zenuwstelsel en de bloedsomloop en soms op de leverfuncties. Het zijn stofwisselingsproducten van enkele groene planten, kleur en reukloos. De meeste planten bevatten een combinatie van verschillende alkaloiden. Veel verslavende, verdovende en genotmiddelen komen uit deze groep. Het merendeel is giftig of zeer giftig en bitter van smaak. Ze hebben verschillende farmacologische effecten. Ze kunnen b.v. werken als pijnstiller, plaatselijke verdover, kalmeringsmiddel, vaatvernauwer en hallucinogeen middel, hoesbedarend, antispamodisch, antitumoraal. Er zijn duizenden alkaloÔden bekend. b.v. atropine, cafeÔne, codeÔne, morfine, strychnine, nicotine, opiaten, heroine, kinine. Onduidelijk is nog wat hun functie in de plant behelst. GeÔsoleerde alkaloÔden hebben een krachtiger werking dan de plant waaraan ze zijn onttrokken. Alkaloiden zijn bijzonder goed oplosbaar in alcohol en ether en slechts beperkt oplosbaar in water. Een tinctuur heeft dus de voorkeur, eventueel kun je het een en ander aanzuren met azijn of azijnzuur om de werkzaamheid van de bereiding te verhogen. Alkaloiden kunnen soms onstabiel worden door verhitting en soms geneutraliseerd worden door looizuren (tannines). Diverse alkaloÔden hiervan, of afgeleiden hiervan, zijn van grote medische waarde in de wetenschap, maar omdat ze giftig zijn mogen ze alleen door gekwalificeerd personeel worden toegepast. De volgende soorten zijn rijk aan alkaloÔden: nachtschaden, papavers, maagdenpalm, peulen, lievevrouwenbedstro, lelies en narcissen, ranonkel, doornappel, wolfskers, bilzenkruid, moederkroon, witte nieswortel en stinkende gouwe. Ze kunnen verder in diverse onderverdelingen worden ingedeeld.

Bitterstoffen
Deze stoffen zijn verschillend van chemische samenstelling. Het zijn stikstofvrije organische verbindingen van zeer uiteenlopende chemische samenstelling en organische structuur en zijn in water oplosbaar en soms verbonden aan glucose. (Zie glycosiden). Stuk voor stuk hebben ze zelf een bittere smaak en prikkelen en veroorzaken een versterkte doorbloeding van de slijmvliezen in het maag/darmkanaal en dat verhoogt de afgifte van speeksel en maagsap. Ook in de lever en de gal wordt de sapafscheiding verhoogd. Dat bevorderd de maagontlediging en de opname (resorptie) van voedingsstoffen. Door de versterkte doorbloeding verdwijnen rottings- en gistingsprocessen en daarmee verdwijnt de basis voor wormen en andere parasieten Door de versterkte doorbloeding van de nieren zijn ze ook licht vochtdrijvend. De werking op hart, bloed en bloedsomloop is gunstig want het stimuleert, het regelt de bloeddruk en zet aan tot aanmaak van bloed. Een tonicum is een veelgebruikte toepassing. Het geldt vaak als bloedverbeterende en aansterkende drankjes. Deze stoffen zijn inzetbaar bij dyspepsie (gebrek aan pepsine een verteringssap), hyper of hypoaciditeit (teveel of te weinig zuur) en lichte gastritis. Voor de maaltijd genomen wekken ze de eetlust op en versnellen het leegmaken van de maag (en dus het werk in de maag), maar een half tot een uur na de maaltijd vertragen ze dit juist. Bitterstoffen kunnen worden onderverdeeld in Amara aromatica (bitterstoffen in combinatie met etherische olien. De werking is milder dan de Amara pura. Ze gaan darmontsteking door afvalstoffen tegen en de afscheiding van maag en darmsappen wordt gestimuleerd. De vetoplosbaarheid wordt verhoogd. Meer informatie is te vinden onder etherische olien. Voorbeelden: Kalmoes, Engelwortel, Wormkruid, Tijm en Duizendblad.), Amora pura (Ze hebben een hoog gehalte aan pure bitterstof. Ze zijn te vinden in Duizendguldenkruid, Gele Gentiaan, Waterdrieblad, Gezegende Distel, Malrove, Mariadistel. Let op: ze kunnen bloedstuwing veroorzaken in het onderlichaam en zijn daarom niet geschikt in combinatie met hoge bloeddruk, zwangerschap, gastritis of maag- darmzweren -voeden ontsteking en voor kinderen zijn deze stoffen te sterk.) en Amara latex (bitterstofkruiden met melksap, voornamelijk galopwekkend en vochtafvoerend, denk aan Paardebloem en Cichorei) Farmacologische bittere verbindingen zijn terpenoide stoffen. Ze kunnen aan azuleen onttrokken worden of ze bestaan uit glucosiden. Ze komen voor in: madeliefje en absintalsem. Bitterstoffen worden in de natuurgeneeswijze veel gebruikt in theemengsels die als aperitief worden gedronken.

Enzymen
Net als de vitaminen behoren de enzymen tot de groep van de ergonen, biologisch werkzame stoffen die chemische processen op gang brengen en regelen. Ze worden in de cel gevormd, zijn in alle cellen aanwezig en nemen deel aan alle reacties in het lichaam. Enzymen zijn vaak labiel en temperatuurgevoelig. Hiermee moet men rekening houden bij het verzamelen, drogen en bewaren van geneeskrachtige kruiden.

Fytonziden
Fytonziden zijn een chemisch heterogene groep inhoudsstoffen. Ze oefenen een remmende werking uit op de groei van micro-organismen die ziekten veroorzaken en zijn daarom de natuurlijke afweer van de plant tegen deze ziekteverwekkers. Wat hun werking betreft lijken ze op de antibiotica die door de lagere planten zoals bacteriŽn en schimmels geproduceerd worden. Fytonziden worden o.a. aangetroffen in tomaten, uien, knoflook, zeeradijs en citroenen.

Glycosiden
Glycosiden zijn producten van de secundaire stofwisseling in de planten. Bij de hydrolyse (splitsen door de werking van water, zuren, of enzymen) vallen ze in 2 delen uiteen: het ene bestaat uit suiker (b.v glucose of fructose) en wordt het gluconcomponent genoemd, het andere deel bestaat uit niet-suiker (aglucon) genoemd. Niet alle glycosiden zijn geneeskrachtig, maar andere zijn wel heel krachtig werkzaam en daardoor meestal ook giftig. Digitalis (Vingerhoedskruid) is in zeer kleine hoeveelheden hartversterkend, maar in grotere hoeveelheden giftig. Glycosiden omvatten een grote groep gevarieerde stoffen waartoe de bitterstof-glycosiden, saponinen, flavonglycosiden en emodine-glycosiden behoren. De bitterstoffen zijn al behandeld, hieronder wordt doorgegaan op saponinen, flavonglycosiden en de emodine-glycosiden. Glycosiden omvatten enkele zeer heilzame plantaardige stoffen (met een laxerende, pijnstillende, diuretische, anti oxidantische en cardiotonische werking) en sommige planten waarin ze voorkomen behoren tot de allergifstige soorten. Plantensoorten die belangrijk zijn voor de geneeskunde en waar glycosiden in voorkomen zijn o.a.: boterbloem, lelies, helmkruid, en maagdenpalm, gele gentiaan, meidoorn, zoethout, mariadistel.

Saponinen
Komen voor in combinatie met andere glycosiden, bezitten een a-glucon en deze bevat een zeepachtige stof. In water opgelost gaan saponinen sterk schuimen en dat betekent dat zij een sterk emulgerend vermogen hebben. Dit is het vergroten van oppervlakte (bijvoorbeeld van vet op het afwaswater wordt veroorzaakt door een emulgator. Gal is ook een emulgator met ongeveer dezelfde werking als afwasmiddel. Probeer dit alsjeblieft niet uit.) Ze stimuleren ook de doorlaatbaarheid van andere stoffen, die zich met saponinen in de oplossing bevinden en vergroten de doorbloeding en sapafgifte in het maag-darmkanaal. Dat maakt de de opname van stoffen in de kanaal wordt vergroot en geeft een betere voedselopname. Ze zijn daarnaast slijmoplossend, reinigend, vochtafdrijvend en werken soms als anti-depressiva. Als saponinen zelf opgenomen worden kan het zijn dat ze in kleine hoeveelheden al de aanmaak van rodebloedlichamen verstoren! Saponinen komen voor in Sleutelbloemgewassen (Primulae) en de Silenenfamilie. Digitonine en gitonine komen uit Vingerhoedskruid en aesculine uit de vrucht van de Paardekastanje. Verder bevatten de Berk, de Heermoes, Vlier, Guldenroede, Madeliefje, Vogelmuur, Zeepkruid en Viooltjes deze stof in grote mate.

Flavonglycosiden (flavonoiden, flavonen)
Andere namen voor deze stof: flavonoiden, flavonen. Het zijn glycosiden waarvan de a-glucon een gele kleurstof bevat. De stof heeft meestal een katalyserende werking op andere werkzame bestanddelen in de plant. Ze hebben een gunstige werking op het hart, de wanden van fijne bloedvaten en kunnen daarom worden ingezet bij aderverkalking en hoge bloeddruk. Groene thee is een goede leverancier van deze stof.

Emodine-glycosiden
Deze stoffen worden ook wel eens anthrachinon-glycosiden genoemd en in grote doses is het giftig. Ze worden nogal eens toegepast als laxantia (laxeermiddelen) bij darmstoornissen. Ze zijn onoplosbaar in een zure omgeving zoals de maag, en worden pas opgelost in het alkalische darmsap. In de dunne darm komt het in de bloedbaan en gedeeltelijk belanden ze in de dikke darm waar ze de peristaltiek (met stuwbewegingen de massa verplaatsen. Drink maar eens iets heel kouds om deze manier van transport in de slokdarm te voelen) en het bekort de waterterugwinning die in de darmen plaatsvindt. Aloe en Senna hebben deze stof in hoge mate. Ze veroorzaken een explosieve stoelgang en gebruik ze daarom niet langer dan een week. Verder: Vuilboom, Russische Rabarber deze werken milder en deze bevatten een looistof (zoals in zwarte thee) die de werking van het glycoside remt. Looistof en emodine-glycosiden zijn dus elkaars tegenhangers. Ze zijn in staat elkaars werking te verminderen of te neutraliseren.

Hars
Een stof die vaak geassocieerd wordt met etherische oliŽn in bomen en struiken, en in het bijzonder met naaldbomen, is hars. Sommige harssoorten zijn afgeleiden van fenol (carbolzuur). Ze komen ofwel voor als vaste stof die bij verhitting (oplosbaar in alcohol en water) zacht wordt en smelt of wel oplost in etherische olie als balsem. Net als etherische olie worden ze geproduceerd door speciale cellen en afgescheiden in holten of zoals bij de naaldbomen in buisjes. . De werking beslaat een breed veld: laxerend, pijnstillend, diuretisch, anti-oxidant, cardiotonisch. Goudsbloem, Roosmarijn

Koolhydraten
Koolhydraten (sacchariden) vormen een belangrijke groep van plantenstoffen die soms wel 75% van het drooggewicht van de plant kunnen uitmaken. Ze zijn van groot belang voor de voeding van mensen en dieren. Men onderscheidt lagere, in water oplosbare koolhydraten (mono- en disacchariden) en hogere, niet in water oplosbare koolhydraten, die opgebouwd zijn uit lange ketens van monosacchariden. De belangrijkste in water oplosbare koolhydraten zijn glucose, fructose en saccharose. Glucose (druivensuiker of dextrose) komt van deze groep van stoffen het meest voor in de natuur. Ze wordt voornamelijk gebruikt als zoetstof en als voeding- of versterkingsmiddel. Ze worden vaak samen in de plant aangetroffen. Saccharose (biet- of rietsuiker) is na glucose de meest algemeen voorkomende suiker van deze groep. Honing bevat grote hoeveelheden van deze drie suikers. De belangrijkste in water onoplosbare koolhydraten zijn zetmeel, inuline en cellulose. Zetmeel wordt gevormd in de groene delen van de plant. Het is na cellulose de meest voorkomende polysaccharide in de plant. Door zijn hoge calorieŽn- gehalte is het van groot belang bij de voeding van de mens. Voor therapeutische doeleinden en in de industrie wordt zogenaamd reservezetmeel gebruikt: dit is zetmeel, dat door allerlei planten als reservevoedsel is opgeslagen in zaden, knollen, wortels en bladeren. Aardappels en granen zijn bijzonder rijk aan deze stof. Door middel van hydrolyse (splitsing van chemische verbindingen door water) kan men glucose verkrijgen uit zetmeel. Dit laatste is namelijk opgebouwd uit vele glucose-eenheden. lnuline, ook een reservestof, bestaat uit vele fructose-eenheden en kan door middel van hydrolyse weer uiteenvallen in deze bouwstenen. Ze komt in grote hoeveelheden voor in de wortels van cichorei, alant en andere samengesteldbloemigen. Cellulose is de meest voorkomende polysaccharide in de natuur. Ze vormt de celwanden en is een belangrijk bestanddeel van de houtweefsels bij de hogere planten. Ze voorkomt dat de celwand springt door de opname van water. En de cellulose is ook de reden dan bijvoorbeeld koeien zolang moeten kauwen voordat ze hun voedsel doorslikken. Katoen, die een grote vormvastheid bezit en daarom geschikt is als verbandwatten, is bijna zuiver cellulose. Deze polysaccharide is opgebouwd uit vele glucose-eenheden. Pectine rekent men ook tot de koolhydraten; ze komt voornamlijk voor in vruchtensappen. Onder bepaalde omstandigheden vormt ze een gelei; de levensmiddelenindustrie maakt van deze eigenschap graag gebruik. Op pectine wordt apart ingegaan Ook de groep van de slijmen zijn koolhydraten. Deze stoffen komen onder andere voor in de bladeren en wortels van heemst en in de kroonbladen van het kaasjeskruid, in lijnzaad, fenegriek en IJslands mos. Slijmen worden toegepast bij aandoeningen van het slijmvlies van de bovenste ademhalingswegen, omdat ze de aangetaste plek ůmhullen en deze zo beschermen tegen beschadigingen van mechanische aard en prikkelende stoffen. Op slijmstoffen wordt apart ingegaan.

Looistoffen (looizuren of taninnen)
Looistoffen dienen als bouw-, reserve- en beschermingsstoffen. Ze zijn opgelost in het celvocht van de plant of geconcentreerd in speciale holten met celvocht, de zogenaamde looistofvacuolen. In zieke of door parasieten aangetaste planten kan men zeer hoge concentraties van deze stoffen aantreffen. Ze zijn vooral samentrekkend van aard. De colloidale zwellingstoestand van cellen beinvloeden ze. Met eiwitten gaan ze een onverbrekelijke verbinding aan. (Denk aan het looien van leer.) Ze werken het sterkst in het maag/darmkanaal. Doordat ze een verbinding met eiwitten aangaan, leggen ze een licht membraam op het slijmvlies. Dit vlies trekt zich samen, waardoor de zwelling, roodheid en overmatige secretie wordt verminderd en uitgezette capilairen worden samengetrokken. Daardoor zijn ze in staat bloed te stelpen. Het membraam houdt ook bacterien tegen en is dus anti-sceptisch. De opname van stoffen wordt daardoor vertraagt. Door de samentrekkende beweging hebben ze een verstevigende werking op weefsels. Ze kunnen toegepast worden bij aandoeningen die met roodheid, zwelling gepaard gaan zoals klierzwellingen, blaren, blaasjes en bij ontstekingen en bloedingen. De werking van looistoffen wordt door alkaloiden teniet gedaan. Ze zijn oplosbaar in water en glycerine. In het plantenrijk komen looistoffen vooral voor in boomschors. Onder invloed van zuurstof uit de lucht worden de looistoffen afgebroken; gedroogde planten die looistoffen bevatten moeten daarom altijd van de lucht afgesloten worden bewaard. Het vat waarin het materiaal wordt op- geslagen moet liefst ook roestvrij zijn, omdat looistoffen zich kunnen verbinden met ijzerzouten waarbij een groene tot zwarte neerslag wordt gevormd. Looistoffen komen onder andere voor in eikenschors, bosbessen, de wortelstok van de tormentil, bladeren van de notenboom, gallen, toverhazelaar, Agrimonie, andoorn en varkensgras en niet te vergeten zwarte thee!

Etherische olie
Etherische olie , ook wel vluchtige olie genoemd zijn vloeistoffen in plantencellen. Ze zijn vluchtig (verdampen), oplosbaar in alcohol, en andere organische oplossingen. Ze hebben een breed terrein aan werkingen: antisceptisch, ontstekingswerend, bloeddrukverhogend (en dus verwarmend) en -verlagend, kalmerend, ontkrampend, (eetlust) opwekkend, vochtafdrijvend. Ze zijn hebben een kalmerende en verdovende werking op het zenuwstelsel en werken opwekken op het gemoed. Ze hebben een invloed op de bloedsomloop, vaatstelsel, nieren en secreties, ze prikkelen de huid en slijmvliezen (ook die van de luchtwegen) en worden veel in massageolieen verwerkt. Ze zijn zeer goed oplosbaar in alcohol en meestal ook in vette olien zoals olijfolie, amandelolie en jojobaolie. Ze zijn zeer beperkt oplosbaar in water. Inderdaad water en olie willen niet goed mengen. Ze worden via destilatie verkregen. Ze komen voor in de in- en uitwendige klieren van de plant en spelen een rol bij de plantaardige stofwisseling. Bij warmte vervliegt de olie en daarmee de werkzaamheid. Huid en slijmvliezen zijn het meest gebaat bij een oplossing in vetten bij het gebruik van deze stoffen. In combinatie met andere stoffen zijn te vaak wederzijds versterkend en vergemakkelijken de opname van andere stoffen. Ze zijn kleurloos als ze vers zijn, meestal aromatisch en ze laten geen blijvende vlekken achter op papier.Veel van de planten die etherische olie bevatten zijn bekend om hun aangename geur en worden op grote schaal gekweekt door de voeding- en parfumindustrie. De concentratie aan olie is bij stabiel warm weer het hoogst. (Veel etherische olien zijn bedoelt om beestjes die ziekten veroorzaken op de plant af te weren met een wolk parfum) Het plantendeel waar de olie in voorkomt kan onbewerkt worden benut bijvoorbeeld in een infuus. Een aantal geÔsoleerde componenten van etherische olie heeft belangrijk geneeskrachtige eigenschappen . Menthol bijvoorbeeld is gedestilleerd uit munt en thymol uit tijm. De etherische olie en plantendelen waaruit ze komt moeten luchtdicht op een donkere plaats bewaard worden. Veel planten die deze olie bevatten staan bekend als keukenkruid zoals basilicum, koriander, dille, venkel, majoraan en tijm. De familie van Lipbloemigen, Schermbloemigen en Samengesteldbloemigen hebben veel planten met etherische olien. Planten die rijk zijn aan etherische olie en die geneeskracht hebben zijn bijvoorbeeld madeliefje, muntsoorten, wijnruit, irissen en pijnbomen, anijs, eucalyptus, hyssop, lavendel, rosemarijn. Tijm, Knoflook en de gewone Ui zijn desinfecterend. Salie, Duizendblad, Pepermunt en Kamille zijn ontstekingsremmend. Anijs en Venkel zijn ontkrampend. Valeriaan en Citroenmelisse kalmeren en Tijm en Eucalyptus zijn in staat slijm op te lossen en ontstekingen te remmen. Campher is prikkelend van aard.

Organische zuren
Organische zuren spelen een rol bij het handhaven van een gelijke druk binnen en buiten de plantencel. Ze regelen de doorlaatbaarheid van water door de celwand. Organische zuren hebben een licht laxerende en darmregulerende werking. De meest bekende zijn appel-, citroen-, oxaal- en wijnsteenzuur en hun derivaten. Deze stoffen treft men meestal aan in vruchten.

Terpenen
Deze kunnen in verbinding met diverse andere stoffen in een plant voorkomen. Smalle weegbree bevat er met name veel van.

Vette olie
Vette oliŽn van plantaardige oorsprong zijn mengsels van triglyceriden die niet in water maar wel in organische oplosmiddelen oplossen. Ze zijn niet vluchtig, vandaar de naam vaste oliŽn. Voorbeelden van vette oliŽn die in de geneeskunde worden toegepast zijn amandelolie, maÔsolie, lijnolie, sojaolie en wonderolie. Wonderolie heeft een specifiek zuiverende werking. De oliŽn worden ook gebruikt in de voedingsmiddelenindustrie en in de cosmetica. Komt voor in olijven, noten, peterselie,radijs (schaaldieren). Ze is van belang bij: goede groei van de botten, tanden, kraakbeen, groei rode bloedcellen, en vetstofwisseling. Gebreksymptomen: verstoring van de groei van botten en kraakbeen en tanden, verhoogd cholesterolgehalte.

Slijmstoffen (mucillaginosa)
Plantaardige slijmstoffen zijn stikstofvrije koolhydraten die in water opzwellen en dan een uiterst kleverige lijmachtige stof vormen. Ze zijn uitsluitend oplosbaar in water, opgelost in alcohol slaan ze neer. Alcohol kan gebruikt worden in kleine hoeveelheden als conserveermiddel (alcoholpercentage maximaal 20%) In koud water zijn ze beter extraheerbaar. In koud water zwellen ze op en vormen ze gelei. In warm water lossen ze op tot lijmoplossingen die bij het afkoelen geleiachtig worden. De meeste slijmstoffen worden gevormd door de plantaardige celwanden. Slijmstoffen zijn therapeutisch bruikbaar omdat ze chemische en mechanische irritatie verminderen (verzachtend op beschadigde weefsels en bevochtigend voor de slijmvliezen). Ze zijn bovendien rijk aan mineralen en sporenelementen die het immuunsysteem stimuleren. Wanneer ze de ademhalingsorganen of spijsverteringsorganen passeren laten ze een dun beschermend laagje achter op de slijmvliezen. Dit geeft bescherming tegen mechanische en chemische prikkels en een verhoogde afweer tegen bacterien en ze vertragen de opname van andere stoffen. Op deze manier zijn de sterke bijwerkingen van medicijnen te verlichten. Dit voorkomt dat prikkelende stoffen bij ontstoken plekken kunnen komen. Slijmstoffen worden daarom gebruikt om ontstekingen in de borst, de keel en het darmkanaal te verhelpen. En ze reguleren de slijmsecretie en de darmwerking. In grote doses werken ze laxerend. Ze verbeteren de smaak en werken vrij lokaal op huid en slijmvliezen. Bij darmstoornissen werken ze bij kleine doses stoppend en bij grote juist laxerend. Pectine, harsen, gommen en vette olien hebben een soortgelijke werking. In de farmaceutische industrie worden sommige slijmstoffen als emulgatoren toegepast. Voor geneeskrachtige toepassing zijn nuttig: Iers mos (80% slijmstof) Lijnzaad (55%), Heemst (35%), klein hoefblad fenegriek, vlas, IJslandse mos (70%), kaasjeskruid en smeerwortel, weegbree, longkruid, Postelein.

Pectine
Deze wordt tot de slijmstoffen gerekend omdat het eveneens uit polysacchariden bestaat en op dezelfde manier gelei vormt. Pectine wordt gebruikt voor de behandeling van diarree en in fruitdiŽten. Pectine zit vooral in fruit en in mindere mate in vruchtensap en groentesap. Planten die pectine bevatten zijn bijvoorbeeld braam, peen, zwarte bes en kweepeer.

Diverse inhoudsstoffen
Rubia-glycoside is een glycoside die voorkomt in een aantal planten van de Rubiaceae of Walstrofamilie. De werking is voornamelijk vochtafdrijvend. Deze stof komt voor in Walstro Cumarine is een glycoside met een antistollende en licht verdovende werking. In hoge doseringen werkt het als antagonist (tegenhanger) van vitamine K . Cumarine komt voor in Engelwortel, Kamille, Lavendel en Kastanje. Xantophyl is een op glycoside lijkende en overwegende gele stof die nauw verwant is aan caroteen. De stof bevordert herstel bij ziekte, de bloedvorming en wondgenezing. Ze komt voor in Brandnetel, Dovenetel, Goudsbloem, Koningskaars, Paardebloem en Weegbree. Sinigrine is een mosterolie-glycoside die stimulerend werkt op de spijsvertering en bij dyspepsie. Komt voor in Herderstasje. Aucubine is een glycoside die in een aantal opzichten overeenkomst vertoont met de werking van saponinen. Het werkt als een anti-allergeen. Komt voor in Koningskaars en Weegbree. Salicylzuur is een (phenol)glycoside en werkt koortswerend, pijnstillend en bloedverdunnend. Komt voor in Goudsbloem, Kamille, Moerasspirea, Driekleurig viooltje en Vrouwenmantel. Tyramine en methylamine zijn stoffen die het vrijkomen van adrenaline in de hand werken, waardoor hart en bloedsomloop geprikkeld worden, dit geeft onder andere bloeddrukverhoging. Komt voor in onder andere Herderstasje. Choline en acetylcholine zijn stoffen die ontspanning in de bloedsomloop bewerkstelligen en daarmee zorgen ze voor bloeddrukverlaging. Choline is ook bekend als vitamine B4. Ze komen voor in Cichorei, Dovenetel, Herderstasje, Kamille, Maretak, Moerasspirea, Paardebloem, Smeerwortel en Vlier. Histamine is verantwoordelijk voor de verschijnselen die gepaard gaan met allergische reacties. Het is vooral vaatverwijdend, waardoor een versterkte doorbloeding optreedt. Komt voor in Brandnetel, Herderstasje en Maretak.

Allantoine is een stof die het herstel van weefsels bevordert. Komt voor in Goudsbloem, Longkruid en Smeerwortel.

Zie ook: vitaminen, mineralen en sporenelementen, medische termen.

Naar het begin van deze tekst.


Deze tekst in het gehele browser-venster plaatsen.

Klik linksboven in het browser-venster op de pijl naar links om terug te komen bij de vorige situatie.


Bronnen: